Oorspronkelijke betekenis van godennamen.

De oorsprong van godennamen ligt in de vroege Egyptische beschaving. In die tijd kregen de vele verschillende manifestaties en krachten van God  mystieke “goden” namen. Maar alle mensen wisten toen heel goed dat die zogenaamde “goden” een volledig beeld van de krachten van de Ene ware God vormden. In de loop van de geschiedenis is die kennis echter verloren gegaan, omdat mensen steeds materialistischer werden. Hun fantasie deed de rest en tradities zorgden ervoor dat deze “goden” van de ene aan de andere generatie werden doorgegeven. Zo kwam het dat vele eeuwen later Romeinse priesters meenden dat er veel verschillende “goden” zouden bestaan. Hetzelfde geldt voor de “goden” van de Grieken en de Hindoes.

Fantasie

De oorsprong van godennamen is goed te verklaren, want al dergelijke “goden” zijn slechts voortbrengselen van de menselijke fantasie. Er is maar één God en dat is Jezus Christus. Al die zogenaamde “goden” zijn beschrijvingen van Gods krachten door onze verre voorvaderen, die de Ene God toen zeer goed kenden. Die oerpatriarchen beschreven de eigenschappen van de Ene Ware God alsof het afzonderlijke personen zouden zijn. Elke eigenschap van God Zelf stelde bij hun een mystieke figuur voor. Door de eeuwen heen is daardoor het bijgelovige beeld van die vele ‘”goden” ontstaan. Zo beeldde Jupiter de goedheid en de liefde van de Eeuwige Vader uit, Apollo stelde de wijsheid van de Vader voor, en Minerva de macht van die wijsheid. Mercurius beeldde de alomtegenwoordigheid uit van de Ene God door Zijn almachtige wil. Venus vertegenwoordigde de heerlijkheid, de schoonheid en de eeuwige jeugd van het goddelijke Wezen. Vulcanus en Pluto stelden voor dat de Ene God over heel de aarde gezag en volmacht had. Mars was een uitbeelding van de goddelijke ernst en gerechtigheid en van het doodvonnis voor de berechten. Neptunus was hun voorstelling van de werkende geest van die Ene God in alle wateren, en hoe Hij daarmee de aarde van leven voorziet. Deze verklaringen gaf Jezus in het boek: Jeugd van Jezus, hoofdstuk 76  door Jakob Lorber. De Jakob Lorber boeken vormen met elkaar de Nieuwe Openbaring en geven geestelijke betekenissen van de Bijbel die nog nooit eerder zijn gepubliceerd.

Voorbeelden

Die godennamen gebruikten de mensen zo`n 5500 jaar geleden toen de aartsvaders, de Adamieten leefden. Daar ligt de oorsprong van godennamen. Zij gebruikten het woord: “CEUS” voor een gegeven wet. Die aartsvaders hadden direct contact met de Geest van God de Vader en in hun tijd betekende dit woord CE US: “De Vader wil het.” Hierbij stond “Ce”, of “Ze” voor de vaste onwrikbare wil; “us”, of “uos”, of “ouza” duidde het begrip van de steeds scheppende en alles regerende Vader aan.

JUPITER, of JE U PITAR was 5500 jaar geleden een uitdrukking van de oervaders. De “U” was het teken dat de lijn schetst van de omtrek van een open hart, de ware levenskelk. “Pit” staat voor drinken; “Pitaz” is iemand die drinkt; “Pitar” is een heilig vat om uit te drinken. Daarom is het woord “Je u pitar” een “vat” ter opname van de liefde en wijsheid van God, en dat is de menselijke ziel.

VENUS is nog steeds een woord voor een mooie vrouw; de aartsvaderen wisten 5500 jaar geleden al dat mooie vrouwen ijdel zijn en daardoor zeer sterk op hun aardse leven gericht zijn. Hun geestelijke kennis is als gevolg daarvan, in de regel niet ver ontwikkeld. Het woord “Ve nuz”, of “Ve niz” stond in die tijd voor: zij die niets (geestelijks) weet ; of zij kent niets.

“O v rodite” stond voor: de reine, goddelijke wijsheid baren. De “O” voor het goddelijke. De “A” staat voor het aardse, wereldse. Daarom betekende “A v rodite” aardse domheid baren. Een mooie opgedirkte vrouw die steeds domheden baart omdat zij zelf meestal dom is. De ‘V’ was bij de ouden steeds het teken voor een vat. Als er nu een heilige ‘O’ voor de ‘V’ stond, waarbij deze ‘O’ de omtrek van de zon en overeenkomstig dan ook God in Zijn oerlicht voorstelde, dan betekende de ‘V’ de opname van het licht der wijsheid. Stond er echter een ‘A’, waarmee de ouden alles wat geheel en al aards was aangaven, voor de ‘V’, dan betekende dit vatteken de opname van de nutteloze, aardse domheid. ‘Rodit’ betekende “baren”, dus “A v rodit” betekende dus niets anders dan: de domheid baren. Zie Jakob Lorber in Het Grote Johannes Evangelie.

Deel Dit Verhaal, Kies Je Platform!

Andere berichten

Door |2021-07-23T14:08:21+02:00oktober 26th, 2020|
Ga naar de bovenkant